Dresden 7 februari 1885 – Bautzen 19 januari 1946
Ernst Lothar Julius, Graf von Zech-Burkersroda was op 10 mei 1940 de Duitse gezant in Den Haag die aan de Nederlandse minister van Buitenlandse zaken Eelco van Kleffens de Duitse oorlogsverklaring overhandigde.
Julius von Zech-Burkersroda wordt geboren als zoon van Graaf Ludwich von Zech-Burkersroda en Margarete von Lüttichau. Tot het miljoenen vermogen van de familie behoorde ook een landhuis in Bôrln dat Julius na het overlijden van zijn vader in 1927 zal erven. Omdat de graaf en zijn gezin vaak van huis waren, gebruikte hij het landhuis als vakantiehuis. De omliggende weilanden van het landgoed werden verhuurd.
Julius gaat in Weringerode en Cassel naar het gymnasium en studeert rechten aan de universiteiten van Leipzig, Heidelberg, Berlijn en Halle. Hij studeerde af in 1906 als referendaris en als Dr. in de rechten. Daarna gaat hij werken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en zal vervolgens voor dit ministerie als attaché werken op de ambassades in Rome, Parijs en Wenen.
In 1913 werd hij in Cetinje (Koninkrijk Montenegro) Duits zaakgelastigde. Hij blijft in functie tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog als hij wordt gevraagd door zijn a.s. schoonvader, Theobald Bethmann-Hollweg om zijn adjudant te worden. Theobald is sinds juli 1909 rijkskanselier onder keizer Wilhelm II.
Graf Julius von Zech-Burkersroda trouwde in juli 1915 met gravin Isa Bethmann-Holweg. Ze kregen drie kinderen: Friedrich (1916), Margarethe (1917) en Gisela (1919). Hun zoon Friedrich is op 15 november 1938 in Davos aan de gevolgen van tuberculose overleden en werd begraven op de familiebegraafplaats achter de kerk in Börln.
Na de Eerste Wereldoorlog en het aftreden als rijkskanselier van zijn schoonvader vervolgt Julius Von Zech-Burkersroda zijn carrière bij de buitenlandse diplomatieke dienst van de Weimarrepubliek . Zo is hij vanaf 1917 vertegenwoordiger van de republiek bij de Pruisische Legatie in München. In 1922 werd hij officieel de gezant in Helsinki. In de loop van 1925 keerde hij terug naar Duitsland om daar hoofd van de afdeling Zuidoost-Europa van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te worden. In 1928 werd Graf Julius benoemd tot gezant van de Weimarrepubliek in Den Haag.
Den Haag
In Nederland stond hij bekend als een aangename, bijzonder op Nederland gestelde diplomaat. Vanaf 1933 vertegenwoordigde hij weliswaar het nieuwe nationaal-socialistische (NS) Duitsland van Hitler in Den Haag maar omdat hij vanaf het begin van zijn gezantschap hele goede en warme banden, ook privé, met Nederlandse diplomaten en ministers wist op te bouwen, veranderde hun houding tegenover Julius von Zech-Burkersroda niet. Daarbij kwam dat hij voor het NS geen sympathie leek te koesteren. Het was niet bekent dat hij op 1 mei 1934 lid was geworden van de NSDAP.
Hoewel de graaf zijn onberispelijkheid en politieke afzijdigheid naar de Nederlanders toe leek te handhaven was hij in 1938 de initiatiefnemer achter een artikel in de Völkischer Beobachter waarin de ‘marxistische pers’ in Nederland werd beticht van het verspreiden van gruwel- en leugen berichten over de Anschluss. Het artikel kwam overeen met de Duitse opvatting dat de regeringen van neutrale landen ook verantwoordelijk waren voor een neutrale pers. Bovendien liet hij zich in interne stukken van het Auswärtige Amt met enige regelmaat antisemitisch uit.
In Duitsland keek men wantrouwend naar de persoonlijke en vriendschappelijke contacten die de graaf onderhield met de leden van de Nederlandse regering. Daarom adviseerde in september 1939 de SD aan Von Ribbentrop om Graf Zech-Burkersroda te vervangen. Hieraan werd echter geen gehoor gegeven.
In februari 1940 beweerde Zech-Burkersroda dat de hertog van Windsor, Edward VIII, de geallieerde oorlogsplannen voor de verdediging van België had gelekt, wat de hertog later ten stelligste ontkende.
Omdat hij als tegenstander van het naziregime werd gezien, was graaf Julius zeer populair in Nederland, helemaal omdat hij verzekerde dat het Duitse leger niet zou binnenvallen. Op 9 mei 1940 tegen middernacht ontving Julius von Zech-Burkersroda in Den Haag een telegram van von Ribbentrop met de opdracht de inhoud te vertalen naar het Nederlands en deze aan de Nederlandse regering te overhandigen.
Het telegram luidde:
Ankündigung des Einsatzes einer massiven deutschen Streitmacht.
Jeglicher Widerstand ist völlig zwecklos. Deutschland garantiert die europäischen und außereuropäischen Besitzungen und die Dynastie, sofern jeglicher Widerstand unterlassen wird. Andernfalls droht die vollständige Zerstörung des Landes und des politischen Systems.
Daher fordern wir dringend die Einberufung von Volk und Streitkräften sowie die Aufnahme von Kontakten mit den deutschen Militär Kommandeuren.
Begründung: Wir verfügen über unwiderlegbare Beweise für einen unmittelbar bevorstehenden Einmarsch Frankreichs und Englands in Belgien, die Niederlande und Luxemburg, der mit Wissen der Niederlande und Belgiens seit Langem vorbereitet wurde. Ziel: Vormarsch ins Ruhrgebiet.
De graaf had deze tekst in een correcte Nederlandse vertaling moeten omzetten maar hij was zo geschrokken van het bericht van een aanval op Nederland dat hij niet wist hoe hij zijn persoonlijke vriend Minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens dit bericht moest overhandigen. De bedoeling was dat, voordat de daadwerkelijke aanval zou beginnen, de Nederlandse regering deze aankondiging zou hebben ontvangen. Maar de graaf was zo door emoties overmand dat het hem vijf uur kostte om de vertaling te maken. Hij vertaalde het telegram letterlijk zodat van goed lopende Nederlandse zinnen geen sprake was.
Pas om 6 uur ’s ochtends van 10 mei, vijf uur na de eerste Duitse grensoverschrijdingen, kwam de Duitse gezant bij Van Kleffens aan. Hij liep op Van Kleffens af en bleef bij hem staan zonder een woord uit te brengen. Hij beefde en enkele tranen rolde over zijn wangen. In zijn hand hield hij de brief voor Van Kleffens zonder deze te overhandigen. Omdat het allemaal een nogal gênante situatie was pakte Van Kleffens zelf de brief uit zijn hand en leest:
„Mededeling doen van inzetten van geweldige Duitse troepenmacht. Elk verzet volledig zinloos Duitsland garandeert Europese en buiten-Europese bezittingen en de dynastie, indien elk verzet achterwege blijft. Anders gevaar van volledige vernietiging van het land en het staatsbestel.
Daarom dringend eisen oproep volk en strijdkrachten en eisen opnemen contact met Duitse militaire commandanten.
Motivering: wij hebben onweerlegbare bewijzen van een onmiddellijk dreigende inval van Frankrijk en Engeland in België, Nederland, Luxemburg, die met medeweten van Nederland en België sinds lang is voorbereid. Doel: oprukken naar Roergebied.”
Inhoudelijk blijkt dat het hier niet gaat om een echte oorlogsverklaring maar om een aanbod om een Duits protectoraat te worden op de dreiging van vernietiging van de Nederlandse staat. Van Kleffens wilde duidelijk maken dat Nederland niet op het aanbod inging en schreef daarom de volgende reactie.
„Met verontwaardiging wijst Harer Majesteits Regeering de aantijging der Duitsche Regeering van de hand, dat zij, op eenige wijze, of met eenige mogendheid, geheime en tegen Duitschland gerichte afspraken heeft gemaakt.
Gezien den ongehoorden Duitschen aanval op Nederland, een aanval begonnen zonder eenige voorafgaande waarschuwing, is de Nederlandsche Regeering van oordeel, dat thans een staat van oorlog is ontstaan tusschen het Koninkrijk en Duitschland.”
Van Kleffens overhandigde de graaf zijn schriftelijke reactie en ze namen afscheid van elkaar. Ze zouden elkaar nooit meer zien. Enkele uren later vertrok Van Kleffens met zijn vrouw in een watervliegtuig vanaf het strand van Scheveningen naar Londen om vandaaruit contacten te leggen met de bondgenoten.
Julius Von Zech-Burkersroda werd op 7 juni 1940 met vervroegd pensioen gestuurd.
Börln
Ernst Lothar Julius Graaf von Zech-Burkersroda keerde na zijn vervroegde pensionering op 7 juni 1940 met zijn vrouw en kinderen terug naar zijn landgoed Börln. Het landgoed omvatte het dorp Börln met de omliggende boerderijen Radegast en Frauwalde. Het akkerland en de weilanden besloegen 600 hectare, en het bijbehorende bos 400 hectare.
De band van de familie von Zech-Burkersroda met de plek was eeuwenoud. Johann Georg I “Bierjörge” van Saksen, bezat Börln van 1620 tot 1635. Hij was de zevende overgrootvader van graaf Julius. Friedrich August, graaf von Cosel (1712-1770) was een andere connectie met het Saksische koningshuis: deze was namelijk de zoon van August de Sterke en Anna, gravin von Cosel.
Graaf Julius en zijn vrouw voelde zich erg thuis in Börlin verzorgde met grote liefde het kasteelpark. Ze waren beide zeer geliefd in het dorp, mede omdat zij zich ontfermde over ongeveer 100 vluchtelingenkinderen die ze in het kasteel opnamen. Isela sneed voor sommige kinderen haar waardevolle tapijten in stukken om er pantoffels van te maken. Kinderen van wie de vaders in de oorlog vochten, werden met kerst uitgenodigd in het kasteel, waar ze onder andere kerstverhalen voorlas.
De Slag bij Bautzen
Tussen 21 en 25 april 1945 is er rond Bautzen sprake van een veldslag tussen het Poolse 2e leger en het Duitse 4e Pantserleger. Het zal een van de laatste veldslagen aan het oostfront zijn. Het Amerikaanse leger heeft al op 14 april het 50 km westelijk gelegen Leipzig bevrijd maar houdt zich verder afzijdig. Het hele gebied rond Leipzig en Bautzen zal, volgens de tussen de geallieerden gemaakte afspraken, komen te vallen onder de Russische invloedssfeer.
De gevangenissen van Bautzen
Bautzen staat, misschien wel meer dan welke andere plek ook, symbool voor politieke gevangenschap in de Sovjet-Bezettingszone (SBZ) en de DDR. Tegenwoordig bevindt zich in de voormalige “Stasi-gevangenis” Bautzen II een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de twee Bautzen-gevangenissen.
In Bautzen I, in de volksmond bekend als “Gele Ellende”, werden mensen, tijdens het naziregime, om politieke redenen onder onmenselijke omstandigheden gevangengezet . Na de oorlog gebruikte Sovjet Bezetters de gevangenis om politieke tegenstanders vast te zetten. Onder de SED-dictatuur is Bautzen II bekend geworden als beruchte “Stasi-gevangenis”,
Onteigening
Enkele weken na de capitulatie van Duitsland deelt de door de Russen aangestelde districtsbestuurder van het district Wurzen waar Börln ligt de familie mee dat het Russische militaire commando het landgoed had geconfisqueerd. De bezittingen werden onteigend of gestolen en graaf Julius werd door de Russen gearresteerd en opgesloten in het beruchte speciaal kamp 4 van Bautzen.
In speciaal kamp 4 in Bautzen sterft Ernst Lothar Julius Graaf von Zech-Burkersroda op 19 januari 1946 aan de gevolgen van de ontberingen die hij in het kamp heeft moeten doorstaan. Hij heeft geen eigen graf maar ligt in een massagraf met ongeveer 4100 andere, door de Sovjets gevangengenomen tegenstanders, die in de periode 1945 – 1950 in de gevangenissen van Bautzen het leven lieten.
Zijn echtgenote Isa en hun dochter, Margarethe, werden verbannen naar het eiland Rügen. Margarethe is tijdens de oorlog getrouwd met pastor Reinhard von Kirchbach.
Katholieke kerk
De schoonzoon van gravin Isa zorgt ervoor dat via zijn contacten binnen de katholieke kerk de Bisschop van Krakau te horen krijgt dat alle bezittingen van zijn schoonmoeder Isa zijn geconfisqueerd of gestolen en dat zij onder erbarmelijke omstandigheden moet leven. Ook wordt de bisschop geïnformeerd over de weeskinderen die tijdens de oorlog bij zijn schoonmoeder onderdak hebben gekregen.
De reden van de bemoeienis van de bisschop van Krakau komt voort uit het feit dat de Katholieke Kerk de nieuwe grenzen die zijn ontstaan na de 2e wereldoorlog niet heeft erkend. Rome hield vast aan de “oude” grenzen van de bisdommen.
Na consultatie met paus Pius XII krijgt de bisschop opdracht om Isa op kosten van de katholieke kerk van woonruimte te voorzien. Zij krijgt een woning in het noorden van Duitsland waar zij tot aan haar dood in 1967 blijft wonen. Hun dochters Margaretha en Gisela vluchten begin jaren 50 naar het westen. Margarethe von Kirchbach- Zech-Burkensroda is in Altenhof op 18 augustus 1975 overleden. Gravin Gisela von Zech-Burkersroda is overleden op 25 november 2003 in München.
De inwoners van Börlin herinneren zich een vriendelijke en vredige graaf en gravin die hun laatste jaren graag doorbrachten op het landgoed en het bijbehorende park. Graaf Julius en Gravin Isa zijn nooit vergeten in Börln.
Na “die wende” in 1989 als het landgoed is verlaten en sterk in verval is geraakt, komt het in handen van het landkreis Nordsachsen. In 2003 werden het landhuis en omliggende tuinen en bossen verkocht aan de 13e nazaat van Ditrich Von Schleinitz die het landgoed in 1472 in bezit nam.